Home Inleiding Atlas in Staking |
| Ayn Rand | Sunday 20 May, 2012 |
| Inleiding Atlas in Staking |
|
INLEIDING BOEK ATLAS IN STAKING Volgens Ayn Rand is kunst een “herschepping van de werkelijkheid volgens de abstracte waardeoordelen van een kunstenaar”. Daarom is het niet nodig en zelfs niet toelaatbaar om een roman (evenals een standbeeld of een symfonie) te laten voorafgaan door een voorwoord met uitleg; het is een op zichzelf staande wereld, ongevoelig voor commentaar, die de lezer wenkt om er binnen te gaan, waar te nemen, er op te reageren. Ayn Rand zou nooit hebben ingestemd met een didactische (of lovende) inleiding op haar boek, en ik heb zeker niet de bedoeling haar wensen in de wind te slaan. Integendeel, ik ga haar aan het woord laten. Ik ga u inlichten over bepaalde gedachten die zij had toen zij voorbereidingen trof om Atlas Shrugged te gaan schrijven. Voordat ze aan een roman begon schreef Ayn Rand uitgebreid in haar tijdschriften over het thema, de plot en de karaktertypen. Ze schreef helemaal niet voor enig publiek, maar uitsluitend voor zichzelf — dat wil zeggen, voor het verduidelijken van haar eigen begrip. De tijdschriften die aandacht besteedden aan Atlas Shrugged zijn sterke voorbeelden van haar gedachten in actie, vol vertrouwen zelfs indien die aan het rondtasten waren, doelgericht ook als ze werden belemmerd, lumineus welsprekend ook al waren ze totaal onbewerkt. Die tijdschriften vormen evenzo een fascinerend verslag van de stap-voor-stap geboorte van een onsterfelijk kunstwerk. Mettertijd zullen alle geschriften van Ayn Rand worden gepubliceerd. Voor deze uitgave van Atlas Shrugged heb ik echter, als een soort van te voren uitgekeerde bonus voor haar fans, vier typische tijdschriftartikeltjes uitgekozen. Laat mij nieuwe lezers waarschuwen dat deze stukjes de plot onthullen en het boek zullen bederven voor diegenen die ze lezen voordat ze het verhaal kennen. Voor zover ik mij herinner werd “Atlas Shrugged” niet de titel van deze roman vooraleer de echtgenoot van Miss Rand de suggestie opperde in 1956. De werktitel die zij hanteerde gedurende het hele schrijfproces was “The Strike” (De Staking). De allereerste aantekeningen van Miss Rand voor “The Strike” dateren van 1 januari 1945, ongeveer een jaar na het verschijnen van The Fountainhead. Uiteraard was het onderwerp dat door haar hoofd speelde hoe ze haar volgende roman zou gaan onderscheiden van de voorgaande.
Thema. Wat gebeurt er met de wereld wanneer de Voornaamste Bewegers ervan in staking gaan. Dat betekent — een beeld van de wereld met de motor ervan uitgeschakeld. Laat zien: wat, hoe, waarom. De specifieke stappen en voorvallen — in termen van personen, hun geestesgesteldheid, motieven, psychologie en acties — en vervolgens, uitgaande van personen, in termen van geschiedenis, samenleving en de wereld. Het thema verlangt: te laten zien wie de voornaamste bewegers zijn en waarom; hoe ze functioneren. Wie zijn hun vijanden en waarom; wat zijn de motieven achter de haat tegen en het aan banden leggen van de voornaamste bewegers; de aard van de belemmeringen die voor hen worden opgeworpen, en de redenen daarvoor. Deze laatste paragraaf is geheel vervat in The Fountainhead. Roark en Toohey vormen de complete verklaring ervan. Om die reden is dit niet het directe thema van The Strike — maar het maakt deel uit van het thema en moet in gedachten worden gehouden, en opnieuw worden verklaard (hoewel beknopt) om het thema duidelijk en volledig te maken. Eerste vraag die moet worden opgelost is op wie de nadruk moet komen te liggen — op de voornaamste bewegers of op de parasieten van de wereld. Het antwoord is: De wereld. Het verhaal moet in de eerste plaats een beeld van de wereld geven. In dit opzicht gaat The Strike veel meer een “sociale” roman worden dan The Fountainhead. The Fountainhead ging over “individualisme en collectivisme binnen ’s mensen ziel”; het toonde de aard en de functie van de schepper en de tweederangs maker. De voornaamste bemoeienis daar was met Roark en Toohey — om te tonen wat ze zijn. De overige karakters waren variaties op het thema van de relatie van het ego op anderen — mengvormen van de twee uitersten, de twee polen: Roark en Toohey. Het eerste belang van het verhaal ging om de karakters, de mensen als zodanig — hun geaardheid. Hun relaties tot elkaar — hetgeen de samenleving is, mensen in relatie tot mensen — kwamen op de tweede plaats, het onvermijdelijke, directe gevolg van Roark afgezet tegen Toohey. Maar dat was niet het thema. Nu echter, is het deze relatie die het thema moet vormen. Om die reden komt het persoonlijke op de tweede plaats. Dat wil zeggen, het persoonlijke is alleen noodzakelijk voor zover nodig om de relaties duidelijk te maken. In The Foutainhead toonde ik dat Roark de wereld in beweging zet — dat de Keatings van hem profiteren en hem daarvoor haten, terwijl de Tooheys er bewust op uit zijn hem te vernietigen. Maar het thema was Roark — niet Roark’s relatie tot de wereld. Maar nu zal het om de relatie gaan. Met andere woorden: ik moet tonen op wat voor concrete, specifieke manier de wereld wordt bewogen door de scheppers. Precies hoe profiteren de tweederangs figuren van de scheppers. Zowel in geestelijk opzicht als (meer in het bijzonder) in concrete, fysieke gebeurtenissen. (Concentreer je op de concrete, fysieke gebeurtenissen — maar vergeet niet te allen tijde in gedachten te houden hoe het fysieke voortspruit uit het geestelijke.) … Echter, ter wille van dit verhaal, begin ik niet met tonen hoe de tweederangs figuren leven ten koste van de primaire bewegers in de feitelijke, alledaagse werkelijkheid — noch begin ik met het tonen van een normale wereld. (Dat komt er slechts bij als een noodzakelijke terugblik of ‘flash-back’, of als voortvloeisel uit de gebeurtenissen zelf.) Ik begin met de fantastische vooronderstelling van de primaire bewegers die in staking gaan. Dat is het eigenlijke hart en centrale thema van de roman. Een onderscheid dat hier zorgvuldig in de gaten gehouden moet worden: ik ben er niet op uit de primaire beweger te verheerlijken (dat was The Fountainhead). Ik ben er op uit te tonen hoe wanhopig de wereld behoefte heeft aan primaire bewegers, en hoe immoreel zij worden behandeld (door de wereld). En ik toon het aan de hand van een hypothetisch geval — wat gebeurt er met de wereld zonder hen. In The Fountainhead liet ik niet zien hoe wanhopig de wereld behoefte heeft aan Roark — behalve door implicering. Ik liet wel zien hoe immoreel de wereld hem behandelde, en waarom. Ik toonde voornamelijk wat hij is. Het was zijn verhaal. Dit moet echter het verhaal van de wereld zijn — met betrekking tot zijn primaire bewegers. (Bijna — het verhaal van een lichaam met betrekking tot zijn hart — een lichaam dat sterft door bloedarmoede.) Ik laat niet direct zien wat de primaire bewegers doen — dat wordt slechts getoond door implicering. Ik toon wat er gebeurt wanneer ze het niet doen. (Op die manier ziet u het beeld van wat ze doen, hun plaats en hun rol.) (Dit is een belangrijke leidraad voor de opbouw van het verhaal.)
Om het verhaal uit te werken moest Ayn Rand ten volle begrijpen waarom de primaire bewegers toelieten dat de tweederangs figuren van hen profiteerden — waarom de scheppers de hele geschiedenis door nooit in staking waren gegaan — welke fouten zelfs de besten onder hen begingen waardoor ze in slavernij bleven van de slechtsten. Een deel van het antwoord wordt gedramatiseerd in het karakter van Dagny Taggart, de erfgename van de spoorwegmaatschappij die de oorlog verklaart aan de stakers. Hier volgt een aantekening over haar psychologie, gedateerd 18 april, 1946:
Haar fout — en de oorzaak van haar weigering zich bij de stakers te voegen — is al te optimistisch en al te vol vertrouwen zijn (vooral dat laatste). Al te optimistisch — omdat ze denkt dat de mensen beter zijn dan ze zijn; ze begrijpt ze niet echt en is er ruimhartig over. Al te vol vertrouwen — omdat ze denkt dat ze meer kan doen dan een enkeling feitelijk kan. Ze denkt dat ze een spoorwegbedrijf kan besturen (of de wereld) zonder hulp; dat ze mensen ertoe kan krijgen te doen wat ze wil of nodig heeft, of wat juist is, door de zuivere kracht van haar eigen talent; niet door hen te dwingen natuurlijk, niet door ze in slavernij te nemen en bevelen te geven — maar door de zuivere overvloedigheid van haar eigen energie; ze zal hen laten zien hoe, ze kan het hen leren en hen overtuigen; ze is dermate kundig dat ze door haar zullen worden aangestoken. (Dat is nog altijd vertrouwen in hun redelijkheid, in de almacht van verstand. De vergissing? Verstand is niet automatisch. Degenen die het ontkennen kunnen er niet door worden overwonnen. Reken niet op hen. Laat hen met rust.) Op deze twee punten begaat Dagny een belangrijke (maar vergeeflijke en begrijpelijke) denkfout; de soort van fout die individualisten en scheppers dikwijls begaan. Het is een fout die voortvloeit uit het beste in hun aard en uit een juist principe, maar dit principe wordt verkeerd toegepast … De fout is deze: het is juist voor een schepper om optimistisch te zijn, in de diepste, meest fundamentele zin, omdat de schepper gelooft in een welwillend universum en functioneert op dat beginsel. Maar het is een vergissing dat optimisme uit te breiden tot andere specifieke mensen. Om te beginnen is het niet nodig; het leven van de schepper en de aard van het universum verlangen het niet; zijn leven is niet afhankelijk van anderen. Ten tweede, de mens is een wezen met vrije wil; om die reden is ieder mens in aanleg goed of kwaad, en het is aan hem en uitsluitend aan hem (door zijn redenerende verstand) om te beslissen wat hij wil zijn. De beslissing zal uitsluitend hemzelf treffen; het is niet (en kan niet en moet niet) de eerste zorg zijn van enig ander menselijk wezen. Daarom moet een schepper, omdat hij de Mens vereert en moet vereren (hetgeen betekent zijn eigen hoogste aanleg, welke zijn natuurlijke zelfverering is), niet de fout maken te denken dat dit betekent: de noodzaak om de Mensheid te vereren (als een collectief). Dat zijn twee totaal verschillende concepties, met totaal verschillende (ontzaggelijke en diametraal tegenover elkaar staande) gevolgen. De mens, op het toppunt van zijn vermogen, komt tot realisering en vervulling in iedere schepper op zich … Of die schepper nu alleen is, of slechts een handje vol mensen vindt zoals hij, dan wel onder de meerderheid van het mensdom te vinden is, doet er helemaal niets toe; aantallen hebben er niets mee te maken. Hij alleen of hij met enkele anderen zoals hij vormen de mensheid, in de juiste betekenis van het bewijs zijn van wat de mens in feite is, de mens op z’n best, de essentiële mens, de mens op z’n hoogste vermogen. (Het rationele wezen dat handelt volgens zijn aard.) Het zou er niet toe moeten doen voor een schepper of iemand, een miljoen of alle mensen om hem heen minder zijn dan het ideaal van de Mens; laat hij zelf maar dat ideaal halen; dat is het enige “optimisme” omtrent de Mens dat hij nodig heeft. Maar dat is een moeilijk en subtiel iets om te realiseren — en het zou heel natuurlijk zijn als Dagny altijd de fout maakte om te geloven dat anderen beter zijn dan ze werkelijk zijn (of beter zullen worden, of dat ze hen zal leren beter te worden; eigenlijk wil ze zo wanhopig dat ze beter zijn) — en aan de wereld gebonden te zijn door die hoop. Het is voor een schepper juist om een ongelimiteerd vertrouwen te hebben in zichzelf en zijn kundigheid; zich zeker te voelen dat hij alles uit het leven kan halen wat hij wenst, dat hij alles kan bereiken wat hij besluit te bereiken, en dat het alleen aan hemzelf ligt dat te doen. (Hij voelt het omdat hij een verstandelijk mens is …) [maar] hij moet duidelijk voor ogen houden dat: het waar is dat een schepper alles kan bereiken wat hij wenst — als hij functioneert volgens de aard van de mens, het universum en zijn eigen zuivere moraliteit; dat wil zeggen, indien hij zijn wens niet primair bij anderen neerlegt en niet iets probeert of wenst wat van collectieve aard is; dus het moet niet iets zijn dat primair anderen betreft of dat primair de uitoefening van andermans wil vereist. (Dat zou een immorele wens of poging zijn, tegengesteld aan zijn aard als een schepper.) Als hij dat probeert, komt hij buiten het terrein van een schepper en binnen dat van een collectivist en dat van de tweederangs figuur. Derhalve moet hij er nooit op vertrouwen dat hij alles, ongeacht wat, kan doen voor, via of door anderen. (Dat kan hij niet — en hij zou het niet eens moeten willen proberen — en alleen al de poging is onjuist.) Hij moet vooral niet denken dat hij … op de een of andere manier zijn energie en zijn intelligentie op hen kan overbrengen en hen op die wijze geschikt kan maken voor zijn doeleinden. Hij moet andere mensen tegemoet treden zoals ze zijn, hen erkennen als in wezen onafhankelijke entiteiten, van nature, en buiten zijn primaire invloedsfeer; [hij moet] met hen alleen omgaan op zijn eigen, onafhankelijke voorwaarden; omgaan met dezulken die naar zijn oordeel geschikt zijn voor zijn doel of voldoen aan zijn maatstaven (uit zichzelf en vanuit hun eigen wil, onafhankelijk van hem) en niets van de anderen verwachten … Welnu, in het geval van Dagny, haar wanhopige wens is om Taggart Transcontinental te besturen. Ze ziet dat er geen mensen om haar heen zijn die geschikt zijn voor haar doel, geen mensen met kundigheid, onafhankelijkheid en competentie. Ze denkt dat ze het kan besturen met anderen, met de incompetente lieden en de parasieten, door ze te trainen dan wel door ze te behandelen als robotten die haar bevelen opvolgen en functioneren zonder eigen initiatief of verantwoordelijkheid; met zichzelf in feite als de vonk van initiatief, de drager van verantwoordelijkheid voor een collectief geheel. Dat lukt eenvoudig niet. Dat is haar cruciale fout. Dat is waar ze faalt.
Het fundamentele doel van Ayn Rand als romanschrijfster was niet om boosdoeners of zelfs helden met fouten ten tonele te voeren, maar de ideale mens — de consequente, volledig geïntegreerde, perfecte mens. In Atlas Shrugged is dat John Galt, de verheven figuur die de wereld beweegt en ook de roman, maar die pas ten tonele verschijnt in deel III. Door zijn aard (en die van het verhaal) staat Galt noodzakelijkerwijze centraal in de levens van alle karakters. In één notitie: “Galt’s relation to the others”, gedateerd 27 juni, 1946, definieert Miss Rand beknopt wat Galt voor ieder van hen vertegenwoordigt:
Voor Dagny — het ideaal. Het antwoord op haar twee zoektochten: de geniale man en de man die ze liefheeft. De eerste zoektocht wordt tot uitdrukking gebracht in haar speurtocht naar de uitvinder van de motor. De tweede — haar groeiende overtuiging dat ze nooit verliefd zal worden … Voor Rearden — de vriend. De soort van verstandhouding en waardering die hij altijd heeft gewild en zich dat niet realiseerde [of dacht die te hebben — die hij trachtte te vinden in zijn naaste omgeving, te krijgen van zijn vrouw, zijn moeder, broer en zuster]. Voor Francisco d’Anconia — de aristocraat. De enige man die een uitdaging vormt en een stimulans — bijna de “juiste soort” van publiek, de moeite waard om in vervoering te brengen ter wille van de vreugde en kleur van het leven. Voor Danneskjöld — het anker. De enige man die land en wortels betekent voor een rusteloze, vermetele zwerver, als het doel van een strijd, de haven aan het einde van een heftige zeereis — de enige man die hij kan respecteren. Voor de Componist — de inspiratie en de perfecte luisteraar. Voor de Filosoof — de belichaming van zijn abstracties. Voor Vader Amadeus — de bron van zijn conflict. De ongemakkelijke realisatie dat Galt het einde is van zijn ondernemingen, de man van deugd, de perfecte man — en dat zijn middelen niet passen bij dit doel (en dat hij dit vernietigt, zijn ideaal, ter wille van degenen die slecht zijn). Voor James Taggart — de eeuwige dreiging. De verborgen dreiging. Het verwijt. De schuld (zijn eigen schuld). Hij heeft geen specifiek aanknopingspunt met Galt — maar hij heeft die voortdurende, ongemotiveerde, naamloze, hysterische angst. En hij herkent die wanneer hij de radiotoespraak van Galt hoort en wanneer hij Galt voor de eerste keer ziet in persoon. Voor de Professor — zijn geweten. Het verwijt en de herinnering. Het spook dat hem najaagt bij alles wat hij doet, zonder een moment van vrede. Het ding dat zegt: “Nee” tegen zijn hele leven.
Enkele kanttekeningen bij het bovenstaande: de zuster van Rearden, Stacy, was een onbelangrijk karakter dat later werd geschrapt uit de roman. “Francisco” werd gespeld als “Francesco” in deze beginjaren, terwijl de voornaam van Danneskjöld op dat moment Ivar was, vermoedelijk naar Ivar Kreuger, de Zweedse “luciferkoning”, die uit het werkelijke leven als model gekozen was voor Björn Faulkner in Night of January 16th. Vader Amadeus was de priester van Taggart, aan wie hij zijn zonden bekende. De priester werd verondersteld een positief karakter te zijn, eerlijk toegewijd aan het goede, maar voortdurend de moraliteit van genade beoefenend. Miss Rand liet hem vervallen, vertelde ze mij, toen ze merkte dat het onmogelijk was zo’n karakter overtuigend te maken. De Professor is Robert Stadler. Dat brengt me naar een laatste uittreksel. Vanwege haar passie voor ideeën werd Miss Rand vaak gevraagd of ze eigenlijk primair een filosofe was of juiste een roman schrijfster. In latere jaren werd ze ongeduldig bij deze vraag, maar ze gaf haar eigen antwoord, aan en voor zichzelf, in een notitie gedateerd 4 mei, 1946. De bredere context was een discussie over de aard van creativiteit.
Het schijnt dat ik zowel een filosoof als een fictieschrijver ben. Maar het laatste is hetgeen me het meest interesseert; het eerste is slechts het middel tot het laatste; het absoluut noodzakelijke middel, maar uitsluitend het middel; het fictieve verhaal is het doel. Zonder een begrip en verklaring van het juiste filosofische grondbeginsel kan ik niet het juiste verhaal creëren; maar de ontdekking van het grondbeginsel interesseert me alleen als de ontdekking van de juiste kennis die moet worden gebruikt voor mijn levensdoel; en mijn levensdoel is de schepping van de soort van wereld (mensen en gebeurtenissen) die mij aanstaan — dat wil zeggen, die menselijke perfectie weergeven. Filosofische kennis is noodzakelijk om menselijke perfectie te definiëren. Maar ik heb er geen behoefte aan stil te staan bij de definitie. Ik wil die gebruiken en toepassen — in mijn werk (in mijn persoonlijk leven eveneens — maar de kern, het centrum en doel van mijn persoonlijk leven, van mijn hele leven, is mijn werk). Dat is, denk ik, waarom het idee om een filosofisch non-fiction boek te schrijven me verveelde. In een dergelijk boek zou het doel feitelijk zijn anderen te onderwijzen, mijn gedachte aan hen voor te leggen. In een boek van fictie is het doel om, voor mijzelf, de soort van wereld te scheppen die ik wil en waarin ik wil leven terwijl ik hem schep; vervolgens, als een bijkomend gevolg, anderen te laten genieten van die wereld, als en voor zover zij dat kunnen. Gezegd zou kunnen worden dat het eerste doel van een filosofisch boek is de verklaring of de verkondiging van jouw nieuw verworven kennis aan en voor jezelf; en daarna, als een tweede stap, het aanbieden van jouw kennis aan anderen. Maar hier is het verschil, voor wat mijzelf betreft: de nieuwe filosofische kennis of het grondbeginsel dat ik gebruikte moet ik eerst verwerven en aan mijzelf voorleggen om een denkbeeldig verhaal te schrijven dat daarvan de belichaming en illustratie is. Ik heb geen zin om een verhaal te schrijven op basis van een thema of thesis van bestaande kennis, kennis die werd te berde gebracht of ontdekt door iemand anders, dat wil zeggen, andermans filosofie (omdat die filosofieën verkeerd zijn). In zoverre ben ik een abstracte filosoof (Ik wil de perfecte mens en zijn perfecte leven presenteren — en ik moet ook mijn eigen filosofische verklaring en definitie van die perfectie ontdekken). Maar wanneer en indien ik zulke nieuwe kennis heb ontdekt, ben ik niet geïnteresseerd die te verkondigen in zijn abstracte, algemene vorm, dat wil zeggen als kennis. Ik ben erin geïnteresseerd die te gebruiken en toe te passen — dat wil zeggen, door het te verkondigen in de concrete vorm van mensen en gebeurtenissen, in de vorm van een denkbeeldig verhaal. Dat laatste is mijn uiteindelijke doel, mijn beoogde resultaat; de filosofische kennis of ontdekking is slechts het middel ertoe. Voor mijn doel interesseert de non-fiction vorm van abstracte kennis mij geenszins; de uiteindelijk toegepaste vorm van fictie, van verhaal, interesseert mij wel. (Ik verklaar de kennis in elk geval aan mijzelf; maar ik kies de uiteindelijke vorm ervan, de uitdrukking, in de voltooide cyclus die terugvoert naar de mens.) Ik vraag me af in hoeverre ik een merkwaardig fenomeen vertegenwoordig in dit opzicht. Ik denk dat ik de juiste integratie van een compleet menselijk wezen vertegenwoordig. In elk geval zou dat mijn leidraad moeten zijn voor het karakter van John Galt. Hij is eveneens een combinatie van een abstracte filosoof en een praktische uitvinder; de denker en de man van actie tezamen … Al lerend ontlenen we een abstractie aan concrete voorwerpen en gebeurtenissen. Al scheppend maken we onze eigen voorwerpen en gebeurtenissen vanuit de abstractie; wij vertalen de abstractie en brengen die terug naar zijn specifieke bedoeling, naar het concrete; maar de abstractie heeft ons geholpen te komen tot de soort van concrete substantie die we het concrete willen laten zijn. Het heeft ons geholpen te scheppen — de wereld opnieuw te vormen zoals we wensen dat die is voor onze doeleinden.
Ik kan niet nalaten nog één paragraaf aan te halen. Die komt enkele bladzijden verderop in dezelfde discussie.
Tussen haakjes, als een bemerking in de kantlijn: indien creatief schrijven van fictie een proces is van een abstractie vertalen in het concrete, dan zijn er drie mogelijke graderingen van zulk schrijven: 1) het vertalen van een oude (bekende) abstractie (thema of thesis) via het medium van vroegere fictie middelen (dat wil zeggen karakters, gebeurtenissen of situaties die eerder gebruikt werden voor dat zelfde doel, diezelfde vertaling) — dat is het merendeel van de populaire troep; 2) het vertalen van een oude abstractie door middel van nieuwe, originele fictie middelen — dat is het merendeel van de goede literatuur; 3) het scheppen van een nieuwe, originele abstractie en die vertalen door middel van nieuwe, originele middelen. Dat is, voor zover ik weet, alleen bij mij te vinden — mijn soort van fictie schrijven. Moge God mij vergeven (Metafoor!) als dit misplaatste verwaandheid is! Zo goed als ik het nu kan zien, is het dat niet. (Een vierde mogelijkheid — een nieuwe abstractie vertalen via oude middelen — is onmogelijk, per definitie: als de abstractie nieuw is kunnen er door niemand vroeger middelen zijn gebruikt om die te vertalen).
Is haar conclusie “misplaatste verwaandheid”? Het is nu vijfenveertig jaar geleden dat ze deze notitie schreef, en u houdt Ayn Rand’s meesterwerk in uw handen. U beslist.
— Leonard Peikoff September 1991 |
